Muziektheorie part 1

Lees Muziektheorie part 1 in PDF

De afgelopen weken hebben we ons in TIPS & TRUCS vooral gericht op het bewerken

en het verbeteren van het geluid, o.a. door middel van effecten en processoren.

Welke microfoon het beste is in welke situatie, maar ook de werking van Equalizers

en compressoren zijn onder andere besproken. Deze week gaan we niet verder de

diepte in maar juist terug naar de basis. Bij het maken van muziek draait het tenslotte

vooral om één ding: de muziek zelf!

Natuurlijk maakt het een enorm verschil of een productie  ‘af’ klinkt, of de volumes van alle instrumenten in verhouding met elkaar staan, of een track lekker gemastered is; maar uiteindelijk is het nog veel belangrijker of de muziek zelf goed klinkt. Zijn er goede melodieën gebruikt? Vullen deze elkaar aan of botsen ze met elkaar? Zitten er valse noten tussen of klinkt alles juist heel harmonisch? En hoe zit het met de spanningsopbouw? Deze week in TIPS & TRUCS dus een opfrissing voor de basis van de muziek theorie.

 

Stemmen

In het digitale tijdperk, vol met digitale piano’s, virtuele instrumenten en pitchcorrectietools lijkt het bijna overbodig, maar het is essentieel om voordat je begint te spelen, componeren of op te nemen, te zorgen dat instrumenten gestemd zijn. Instrumenten zoals de gitaar (zowel akoestisch als elektrisch), de piano, de basgitaar en de analoge synthesizer maar ook drums ontstemmen na verloop van tijd. Zorg dus altijd dat je deze stemt voordat je gaat spelen. Een akoestische piano stemmen is iets wat vrijwel niet zelf te doen is en wat wordt gedaan door professionals. Maar de meeste instrumenten kun je makkelijk zelf stemmen. Lukt dit niet op het gehoor? Dan is het een goed idee om voor een klein bedrag een stemapparaatje (tuner) te kopen. Hiermee kun je heel gemakkelijk zien hoe je moet stemmen en leer je daarnaast zelf ook beter de tonen te herkennen. Hieronder alvast de (standaard) stemwijze van enkele belangrijke instrumenten: 

-          Gitaar: E-A-D-G-B-E

-          Basgitaar: E-A-D-G

-          Ukulele: G-C-E-A

-          Viool: G-D-A-E

De bovengenoemde stemming is de standaardstemming. Maar soms kan het handig zijn om instrumenten bewust anders te stemmen. Ook zal een 7-snarige gitaar of een basgitaar met 5 snaren een andere stemming hebben. Zoek dit in dit geval even op of vraag het aan een expert.

Drums stemmen kan wat lastig zijn als je het nooit gedaan hebt, vraag hierbij dus eventueel advies van een meer ervaren drummer. Omdat analoge synthesizers ook vaak ontstemmen is het bij het stemmen vooral zaak om te zorgen dat de noot die je speelt ook precies de noot is die je speelt. Met andere woorden: De C moet dus echt een C zijn, en niet een C# of een B of iets ertussen. Gebruik hiervoor eventueel een ander gestemd apparaat (digitaal instrument), of een tuner.

440Hz vs 432Hz

Bij vrijwel alle tuners is de A4 afgesteld op een frequentie van 440hz. Dit is de standaard sinds het midden van de 20e eeuw en hier zijn stemvorken ook op ingesteld. Dit is zo afgesproken omdat er in het verleden verschillende stemmingen werden gehanteerd. Dit zorgde ervoor dat muzikanten die veel reisden constant problemen hadden om met andere muzikanten samen te spelen. Een andere stemming is echter nog wel blijven bestaan. Hierbij wordt de A4 op 432 Hz gesteld.

Dit wordt door voorstanders de ‘stemtoonhoogte van het universum’ genoemd. Voor het getrainde oor  klinkt dit zachter, rustiger en lichter in het gehoor. Ook zou het meer op je gevoel ( je hart chakra) werken terwijl 440hz meer op je denken (hoofd chakra) werkt. Op sommige afgelegen gebieden op aarde is de standaard stemming nog steeds 432hz. Ook reggae artiesten spelen vaak in 432hz omdat dit ze meer in contact brengt met het universum.

Sommige stemapparaatjes zijn hier op in te stellen, maar let wel op: Wil je in 432hz spelen dan zal wel ieder bandlid zijn instrument zo moeten stemmen!

Toonladders en Toonsoorten

Als de instrumenten individueel en ten opzichte van elkaar goed gestemd zijn scheelt dat een hoop valse tonen. Maar met alleen stemmen zijn we er nog niet. Instrumenten hebben meerdere tonen. Maar welke passen nu wel of niet bij elkaar ? En waarom? Om hier meer inzicht in te krijgen gaan we nu verder op he tonderwerp toonladders en toonsoorten.

In het Westerse toonstelsel zijn er 12 tonen te vinden, verdeeld over een even grote afstand ten opzichte van elkaar. In de rest van de wereld worden soms andere toonstelsels gebruikt met kwarttonen. Daarom klinkt bijvoorbeeld Arabische muziek vaak heel anders dan Westerse muziek. Maar voor het gemak gaan we hier verder uit van het Westerse toonstelsel.

Het voordeel van dit stelsel waarbij de toonafstand ten opzichte van elkaar gelijk is, ligt in het feit dat je gemakkelijk kunt transponeren naar een andere toonsoort zonder opnieuw te hoeven stemmen.

De gebruikte noten in de Westerse muziek zijn:

-          A - A# - B - C - C# - D - D# - E - F - F# - G - G#  

Ook wel geschreven als:

-          A - Bb - B - C - Db - D - Eb - E - F - Gb - G – Ab

In het bovenste geval worden de noten met een ‘hekje’ (kruis) uitgesproken als Ais, Cis, Dis, etc.

In het onderste geval spreek je van Bbes, Dbes, Ebes, etc.

Speel je piano dan zijn de noten zonder verhoging of verlaging gemakkelijk te herkennen als ‘de witte toetsen’. De noten met verhoging of verlaging (A# of Bb, etc) zijn dat geval dus de zwarte toetsen. Bij een snaarinstrument zoals de gitaar is dit minder makkelijk direct te zien.

Daar begin je bij de basistoon van de snaar (bijvoorbeeld de E-snaar) en bij elk fretje verder op de hals tel je door zoals hierboven in het voorbeeld gedaan wordt. Bij het 12e fretje kom je dan weer op de begintoon (in dit geval de E).

Een toonladder bestaat uit een selectie van de bovengenoemde tonen.

De chromatische toonladder is het makkelijkst, die gebruikt namelijk alle noten die hierboven genoemd zijn. De meeste toonladders bestaan echter uit slechts een aantal van deze twaalf tonen.

Deze toonladders zijn gevormd door vaste patronen in de toonafstanden. Wanneer je deze patronen  leert herkennen kun je zelf gemakkelijk uitrekenen welke tonen er in een specifieke toonladder zitten.

De afstand van de ‘A’ naar de ‘B’ wordt gezien als een hele stap. De afstand van ‘A’ naar ‘A#’ (of Bb) wordt gezien als een halve stap. Let wel op: De stap tussen ‘B’ en ‘C’ wordt gezien als een halve stap (hier zit geen verhoogde of verlaagde toon tussen). Een hele stap vanaf ‘B’ is dus naar ‘C#’.

 

De namen van de "zwarte toetsen", zowel verhoogd als verlaagd hieronder:

 

muziektheorie1


 

 

 

 

 

Hieronder enkele voorbeelden van belangrijke toonladders:

Majeurtoonladder

Een veelgebruikte toonladder is de majeurtoonladder. Hierbij worden 7 tonen per octaaf gebruikt (de 8e die vaak wordt weergegeven is de grondtoon maar dan één octaaf hoger).

Het patroon voor de majeurtoonladder is het volgende:

-          1 stap – 1 stap – ½ stap – 1 stap – 1 stap – 1 stap – ½ stap.

Dit is het makkelijkst te zien bij de majeurtoonladder van C op de piano.

Volg je dit patroon dan krijg je namelijk de volgende tonen (tussen haakjes aangegeven de stappen):

-          C  - D – E – F – G – A – B – C

-          (- 1 -  1 – ½ - 1  - 1 – 1  - ½ -)  

Dit zijn alle witte toetsen op de piano. Ben je het patroon van de majeurtoonladder vergeten dan kun je dit dus heel makkelijk terugzien door het patroon tussen de witte toetsen van de piano te bekijken.

De toonladder van D majeur heeft hetzelfde patroon en komt er dus als volgt uit te zien.

-          D – E – F# -G – A – B – C# - D.

En als extra voorbeeld de toonladder van G:

-          G – A – B – C – D – E – F# - G

Herken je dit patroon en vraagt iemand je om in een bepaalde majeur toonladder te spelen dan kun je dus heel gemakkelijk zo uitrekenen welke noten je dan kunt spelen. Dit zorgt ervoor dat bandleden kunnen samenspelen en dat je zelf bij het componeren geen valse noten schrijft. In sommige studio software , zoals Presonus Studio One & Steinberg Cubase, is het ook mogelijk om toonsoorten in te stellen. De software zorgt ervoor dat je dan geen tonen buiten de toonladder kunt spelen waardoor je nooit fout speelt.

Mineur toonladder

De toonladder die naast de majeurtoonladder het meest bekend is, is de mineurtoonladder.

De mineurtoonladder kent een patroon dat lijkt op het patroon van de majeurtoonladder maar verloopt net iets anders :

-          1 - ½ - 1 - 1 - ½ - 1 - 1 -  

Ga je dit verwerken tot de toonladder van C mineur krijg je de volgende tonen:

-          C – D – D# - F – G – G# - A# - C

-           ( 1  -  ½  -  1  - 1  - ½  - 1   - 1 ) 

En in D mineur:

-          D – E – F – G – A – A# - C – D

Als extra de toonladder van A:

-          A – B – C – D – E – F – G – A

Als je nu naar de toonladder van A mineur kijkt en deze vergelijkt met de noten van de toonladder C majeur dan zal je opvallen dat de noten zijn precies hetzelfde.

De toonladders van C majeur en A mineur zijn dus identiek aan elkaar maar hebben een ander startpunt. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de toonladders van E majeur en C# mineur.

 

   Elke majeurtoonladder heeft dus een mineur tegenhanger.

   Ondanks het feit dat de noten van de C majeur en de A mineur gelijk zijn, hebben ze toch een andere klank. Dit komt door de plaatsing van de intervallen. De majeur toonladders klinken over het algemeen vrolijk en energiek terwijl de mineur toonladders eerder droevig klinken.

   Dit merk je vooral wanneer je akkoorden maakt met de noten uit de toonladders, hier gaan we echter in het 2e deel van TIPS & TRUCS – Muziek Theorie op in.

   Naast majeur en mineur zijn er ook nog andere variaties op de toonladders die dezelfde noten gebruiken maar een ander startpunt hebben. Begin je bijvoorbeeld de toonladder van C majeur bij de D noot, en maak je deze dus tot ‘grondtoon’ , dan wordt dit de toonladder ‘D Dorian’ genoemd.

   Hieronder een kort overzicht van de verschillende toonladders met dezelfde noten maar verschillende grondtonen uitgaande van de C toonladder.

   -          C Majeur

   -          D Dorisch

   -          E Phrygisch

   -          F Lydisch

   -          G Mixolydisch

   -          A mineur

   -          B Lokrisch

   Omdat majeur en mineur het meest gebruikt worden is het niet per se nodig bovenstaande toonladders helemaal te kennen. Maar mocht je het ooit tegenkomen, of een variatie willen doen op een toonladder dan kun je ze op deze wijze berekenen. 

   Hieronder een handig diagram om te zien welke Majeur en Mineur toonladders bij elkaar horen. De buitenste ring is de Majeur, de binnenste ring de bijbehorende Mineur.

    

   muziektheorie2

Harmonisch Mineur & Melodisch Mineur

Naast de natuurlijke mineur toonladder zijn er nog twee veelgebruikte variaties op de mineur toonladders, namelijk harmonisch mineur en melodisch mineur.

Deze toonladders lijken wat patroon betreft enorm op de natuurlijke mineur toonladder, maar klinken net iets anders (volgens velen meer melodisch of harmonisch).

Bij de harmonische mineur toonladder wordt de 7e noot  één stap verhoogd, terwijl bij de melodische mineur toonladder de 6e en de 7e toon worden verhoogd.

Hieronder twee voorbeelden met de stappen.

A Harmonisch Mineur:

-          A – B – C – D – E – F – G# – A

-          (  1 -  ½ -  1 – 1 – ½ - 1½ - 1  )

A Melodisch Mineur:

-          A – B – C – D – E – F# – G# – A

-          (  1 -  ½ -  1 – 1 –  1 –  1  –  ½  )

Ben je nog niet heel erg bekend met muziektheorie en toonladders dan kan het bovenstaande overkomen als een golf van informatie. Het is echter niet zo dat je alle toonladders uit je hoofd moet weten om mooie muziek te kunnen maken. Begin rustig eens te oefenen met de majeur toonladders. De C Majeur, bestaande uit alleen de witte toetsen op de piano, is het makkelijkst. Heb je die goed door, dan kun je die transponeren, ofwel opschuiven, bijvoorbeeld richting D majeur. Zo raak je gewend aan het spelen in toonladders. En uiteindelijk is het net als met de meeste dingen in het leven: Ken je eenmaal de formule of het achterliggende idee, dan gaat het na verloop van tijd steeds makkelijker.

Mocht je je nu afvragen: “Waarom zou ik dit allemaal gaan leren? Ik speel toch gewoon op gevoel?”

Bedenk dan dat het voor veel mensen lastig is om  ‘op gevoel’ precies te horen welke tonen goed bij elkaar passen, zeker wanneer je je muziek ingewikkelder, en dus interessanter, wilt maken.

Bovendien zul je als je ‘op gevoel’ speelt, constant door proberen en herproberen moeten uitvinden of iets samen klinkt. Maar als je de theorie kent kan je direct muziek gaan schrijven, wetende dat alles harmonisch bij elkaar past.

In Deel 2 volgt het bouwen van akkoorden..

 

Geschreven door: Maarten van Satur8

(en gecontroleerd door Marcia Sela, waarvoor dank!)

Volg ons op Facebook!

Mis geen enkele aanbieding en abonneer u op onze nieuwsbrief!